Staken. Wanneer mag dit (niet)?

Schoonmaakstaking

Na maanden actie te hebben gevoerd, kunnen de schoonmakers in Nederland tevreden zijn: half april hebben de werkgevers en de vakbonden een principeakkoord bereikt voor een nieuwe cao voor de schoonmaak- en glazenwassersbranche. Met ruim 15 weken was de schoonmaakstaking de langste staking sinds 1933. Maar hoe ver mag een staker eigenlijk gaan?

Stakende schoonmaakmedewerkers

Het eerste kwartaal van 2012 stond de schoonmaakbranche in het teken van acties en stakende schoonmaakmedewerkers. Een lange staking, met duidelijk resultaat. Wat zijn de rechten en plichten van betrokken partijen? Hoe ver mag een staker gaan om het gewenste resultaat te bereiken? Welke rol heeft de vakbond daarin? En welke mogelijkheden hebben werkgevers en opdrachtgevers om staking te voorkomen of beëindigen?

Staking in de rechtspraak

De rechten en plichten van de hoofdrolspelers in een staking zijn het best te illustreren aan de hand van voorbeelden uit de rechtspraak. Daarbij is het goed om te weten dat het uitgangspunt in de rechtspraak is dat Nederlandse werknemers het recht hebben om in het collectieve belang te staken.

Staking als uiterst middel

Echter, het stakingsrecht kent wel degelijk zijn grenzen. Een staking kan namelijk enkel rechtmatig zijn als zij als ‘uiterst middel’ is toegepast en tijdig is aangezegd en kenbaar gemaakt. Daarnaast mag de schade van de staking ook niet disproportioneel zijn – ofwel: is er een ander middel voor handen waar je hetzelfde doel mee kunt bereiken met minder schade?

Schoonmaakstaking op Koninginnedag

De gemeente Amsterdam eiste in een kort geding een verbod voor het reinigingspersoneel om te staken op of vanaf 30 april 2010 (Koninginnedag!). De vakbonden hadden namelijk begin april kenbaar gemaakt dat zij wellicht tot een staking zouden overgaan vanaf 30 april. Ook hadden zij aangegeven te willen overleggen met de gemeente Amsterdam over maatregelen die de overlast van een staking konden beperken.

De rechter bepaalde dat de gemeente Amsterdam de definitieve aanzegging van de staking moest afwachten. Het verbod werd niet toegewezen. Wel vond de rechter dat de gemeente Amsterdam moest bijdragen aan overleg en dat de vakbonden maatregelen moesten aandragen waardoor de staking niet onrechtmatig zou zijn.

De vakbonden hadden namelijk gekozen om de staking te laten plaatsvinden in een zeer kwetsbare periode. Helemaal niet schoonmaken op Koninginnedag en geen maatregelen treffen zou te veel overlast veroorzaken. De rechter was van mening dat het plaatsen van containers op de grachten (zoals de vakbonden hadden voorgesteld) in ieder geval géén voldoende maatregel was. De rechter heeft in deze zaak geen eensluidend antwoord gegeven. Hij heeft de vakbonden enkel een ‘richtlijn’ gegeven voor wat in ieder geval onrechtmatig zou zijn.

Staken in de Rotterdamse haven

Naar aanleiding van een loonconflict werd in 2007 door (leden van) de vakbonden gestaakt in de Rotterdamse haven. Dit betekende dat, onder andere, containerschepen en olietankers de haven niet in of uit konden en niet konden worden gelost. Verschillende olieraffinaderijen en het Rotterdamse Havenbedrijf vorderden de staking te beëindigen, gezien hun financiële belangen bij het reilen en zeilen van de haven. Zowel de werkgever als de vakbonden werden aangesproken.

De rechter stelde voorop dat ‘enige schade’ voor derden niet genoeg is om een staking te beperken. Dit type schade moet namelijk worden beschouwd als bedrijfsrisico. Echter, in dit geval was volgens de rechter sprake van disproportionele schade voor derden (de economische schade voor de olieraffinaderijen en het Rotterdamse Havenbedrijf) en voor het milieu (luchtvervuiling, stankoverlast en geluidsoverlast door het stilleggen van de raffinaderijen en het weer opstarten daarvan).

Volgens de rechter was een compleet stakingsverbod niet op zijn plaats, omdat daarmee de vakbonden het stakingsrecht zou worden ontnomen. De staking moest wel worden beperkt in duur en het moest voor de olieraffinaderijen en het havenbedrijf duidelijk zijn wanneer het werk weer zou worden hervat. De werkgever handelde volgens de rechter niet onrechtmatig, aangezien het niet in haar macht lag om de staking te beëindigen.

Staking door ambulancepersoneel

In 2003 speelde de vraag of het staken van ambulancepersoneel de volksgezondheid zondanig in gevaar bracht, dat dit een verbod op de staking zou rechtvaardigen. De rechter oordeelde dat het stakingsrecht niet wordt beperkt wanneer er enkel sprake is van ongemak bij patiënten, maar slechts wanneer patiënten komen bloot te staan aan het gevaar dat zij in hun gezondheid – mogelijk onherstelbare – schade lijden doordat onderzoek en eventuele behandeling te lang uitblijven.

In dit geval was het bestaan van laatstgenoemd gevaar niet voldoende aannemelijk. De vakbonden hadden namelijk uitdrukkelijk aan de actievoerders opgedragen om in spoedeisende gevallen altijd aan hum vervoersplicht te voldoen. Daarnaast was er ook niet aannemelijk gemaakt dat zich als gevolg van de acties ernstige incidenten hebben voorgedaan.

De rechter gaf de vakbonden wel mee dat zij vinger aan de pols moesten blijven houden om er voor te zorgen dat de risico’s als gevolg van de acties binnen aanvaardbare grenzen zouden blijven. De enkele bereidheid om over veiligheidsaspecten te overleggen (zoals de vakbonden naar voren hadden gebracht) was daarvoor niet voldoende.

Staking in het openbaar

In 2008 werd in delen van Nederland gestaakt in het openbaar vervoer; de streekbussen in de provincies Groningen, Drenthe en Friesland reden niet meer. Naar aanleiding daarvan startte Reizigersorganisatie Rover samen met drie provincies een kort geding tegen de vakbonden.

De rechter vond een staking die het streekvervoer niet geheel stillegt – doordat in de spitsuren wél wordt gereden – proportioneel. De schade die dit met zich mee zou brengen moest worden aanvaard door de reizigersorganisatie en de gemeenten. De vakbonden mochten enige druk op de ketel houden om uit de impasse van het arbeidsconflict te komen. De staking buiten spitsuren werd daarvoor als correct middel beschouwd.

Wat betekent dit voor de schoonmaakbranche?

Werknemers en vakbonden
De vakbonden en de daarbij aangesloten werknemers – de schoonmakers en glazenwassers – hebben in principe het recht om actie te voeren wanneer er sprake is van een (collectief) belangengeschil tussen de werkgever – het schoonmaakbedrijf – en de schoonmakers. De staking moet wel het laatste redmiddel zijn, dus als het belangengeschil op een andere manier kan worden opgelost, mag er niet worden gestaakt.

Daarnaast moeten de vakbonden en de schoonmakers rekening houden met de belangen van het schoonmaakbedrijf en die van inleners van de schoonmaakdiensten: de schade die de staking veroorzaakt mag niet disproportioneel zijn.

We zien in de aangehaalde voorbeelden uit de rechtspraak, dat de rechter niet snel oordeelt dat er van disproportionele schade sprake is/zal zijn. Wel wijst de rechter vaak op de verantwoordelijkheid van de vakbond om te zorgen voor maatregelen waardoor er geen ernstige schade zal optreden.

Werkgever: het schoonmaakbedrijf
Het schoonmaakbedrijf lijdt vanzelfsprekend veel schade door een staking door de schoonmakers. Zij zal naar haar opdrachtgevers, de inlenende bedrijven, de maximale inspanning moeten verrichten om haar contractuele verplichtingen na te komen. De kosten die daarmee gemoeid gaan, zijn in principe voor rekening van het schoonmaakbedrijf.

Wanneer een schoonmaakbedrijf zich dusdanig star opstelt in de onderhandelingen (over de arbeidsvoorwaarden) met de vakbonden, kan het zijn dat zij (het schoonmaakbedrijf) daarmee onrechtmatig handelt jegens de inlener. Echter, het enkele feit dat er geen overeenstemming tussen de vakbonden en het schoonmaakbedrijf wordt bereikt, kan het schoonmaakbedrijf niet worden verweten. Het schoonmaakbedrijf handelt in beginsel dus niet onrechtmatig jegens derden vanwege dat belangengeschil dat is uitgemond in een staking.

Opdrachtgever/derde
De inlener van de schoonmaakdiensten of andere derde kan ook zwaar getroffen worden door de stakingen, maar zal veel moeite hebben om de staking te verbieden. Als er sprake is van disproportionele schade, moet de staking wel worden beperkt door de vakbonden.

De inlener kan natuurlijk ook zelf actie ondernemen om zijn schade te beperken. Zij kan ander personeel inschakelen voor de werkzaamheden via een uitzendbureau. Deze werkzaamheden mogen niet plaatsvinden in de onderneming waar gestaakt wordt (dan verstoort de inlener het stakingsinstrument en handelt hij onrechtmatig).

Wist u dat?

  • Voor stakers geldt in principe: geen arbeid geen loon. Bij georganiseerde stakingen (zoals in de bovenstaande voorbeelden) kunnen de stakers echter aanspraak maken op een uitkering van de vakbonden.
  • Voor werkwilligen (werknemers die tijdens een staking willen werken, maar dit door de staking niet kunnen) geldt dat zij geen aanspraak op loon kunnen maken wanneer er sprake is van een georganiseerde – meestal grootschalige – staking die om arbeidsvoorwaarden gevoerd wordt. Een dergelijke staking wordt namelijk geacht gevoerd te worden in het belang van alle werknemers.
  • Het ligt anders als er slechts een kleine groep staakt en deze staking niet in het algemeen belang van alle werknemers wordt gevoerd. De werkwillige die niets met de staking te maken heeft, houdt aanspraak op loon.
  • Tussen deze vormen van staking (kleine, wilde stakingen en grote, collectieve stakingen) liggen verschillende tussenvormen. Om te bepalen of de werkwillige werknemer recht op loon heeft bij een staking, moet steeds worden bekeken met welke soort staking de staking in kwestie het best kan worden vergeleken.

Uit: Pofessioneel Schoonmaken 5, 2012

Tekst: Elsa Martens, advocaat Certa Legal Advocaten

 

Reageren?